onderzoeksprogramma: nu

adressen begeleidingscommissie
 

Voorgeschiedenis

VisieStadslandschappen (1995)
In de visie Stadslandschappen (ministerie van LNV, 1995)¹ is geconstateerd dat het landelijk gebied in Nederland ingrijpend aan het veranderen is. De nota heeft inmiddels veel ogen geopend. Het landelijk gebied is al lang niet meer het gebied waar op traditionele wijze voedsel en natuur wordt geproduceerd. Er is een groeiende vraag naar natuur, recreatie en een uitgebreid pakket aan diensten; bovendien is het landelijk gebied steeds meer versnipperd geraakt door de aanleg van nieuwe woon- en werkgebieden en zware infrastructuur. Het traditionele Nederlandse productielandschap is veranderd in een consumptielandschap (Dagevos, 1999; Timmermans e.a., 2001)²

Onderzoeksprogramma StadLand (1997-2000)
Van 1997 tot en met 2000 is het onderzoeksprogramma Stad Land uitgevoerd. Daarin heeft de vraag centraal gestaan hoe kan worden omgegaan met de toenemende druk vanuit de stad op de groene ruimte. In een eindrapportage zijn de ontwikkeling, de belangrijkste projecten en de geproduceerde onderzoeksrapporten- en artikelen gedocumenteerd (Blom, e.a. 2001)³. Zeker in het begin is veel van het Stad Land onderzoek uitgevoerd als desk study voor het ministerie van LNV. Gaandeweg het onderzoek is echter gebleken ook andere organisaties de Stad Land problematiek herkennen. Daarmee veranderden veel aanvankelijke kennisvragen al snel in procesvragen. Die ontwikkeling is sturend geweest in de eerste fase van het onderzoeksprogramma Groene Metropolen (2001 - 2004).

Onderzoeksprogramma
Groene Metropolen
2001-2002

Het onderzoeksprogramma Groene Metropolen is gestart als de opvolger van het Stad Land onderzoek. Daarbij is in eerste instantie ingezet op onderzoek volgens de zogenaamde deltabenadering, zie Woestenburg (2002) (4). In het onderzoek werken uiteenlopende disciplines, als bestuurskundigen, sociologen, ecologen en planologen samen. Uitgangspunt is dat werkelijke innovaties tot stand komen daar waar beleid, onderzoek, marktpartijen en maatschappelijke organisaties samen werken.
Halverwege de looptijd van het onderzoek is het onderzoeksprogramma getransformeerd in een beleidsondersteunend en agenderend programma. Het wordt direct aangestuurd vanuit het LNV-beleidsprogramma Groen In en Om de Stad. Het onderzoek heeft zich mede gericht op de vraag hoe rond de stedelijke componenten van de groene metropool, die zich uitstrekt over het complex Randstad - Ruhrgebied - Vlaanderen, voldoende groen van voldoende kwaliteit kan worden behouden dan wel te ontwikkeld.
Het onderzoek wordt steeds meer uitgevoerd in een complexe en dynamische omgeving. Er worden nauwelijks nog deskstudies uitgevoerd. Er zitten bijna altijd meerdere opdrachtgevers aan tafel. Hun invloed neemt toe, naarmate ze achtereenvolgens aan tafel zitten, mee praten, dan wel mee opdracht geven. Een steeds belangrijker deel van het onderzoek is het scherp krijgen en afstemmen van de vragen en belangen van een groot aantal verschillende opdrachtgevers in de verschillende casestudies. Tegelijkertijd zijn diezelfde opdrachtgevers weer onderwerp van studie. Procesgegevens zijn steeds vaker de belangrijkste data die worden verzameld. Daarmee wordt inzicht verkregen in vragen als hoe wordt kwalitatief hoogwaardig groen in en om de stad gerealiseerd en welke krachtenvelden zijn daarvoor relevant?


de onderzoekers
















2003 - 2004
Het onderzoek evolueert nu met het beleid verder. Het GIOS-beleid is in eerste instantie gericht geweest op de doelstelling om rond de stedelijke componenten van de groene metropool, die zich uitstrekt over het complex Randstad - Ruhrgebied - Vlaanderen, voldoende groen van voldoende kwaliteit te behouden dan wel te ontwikkelen. In de eerste fase van het programma is veel aandacht geweest voor kwantitatieve doelstellingen. Nu blijkt dat een louter kwantitatief doel hier onvoldoende is. Er wordt daarmee uiteindelijk te weinig tegenwicht gegenereerd tegen economische krachten die groen consumeren. Een doel gericht op een bepaalde kwantiteit aan groen is teveel alleen het belang van LNV. Er is een breder draagvlak nodig. Het groen moet er juist zijn voor de stad. Het moet betekenis hebben voor de mensen in de stad; zoals ooit het Naardermeer er was voor de Amsterdamse gegoede burgerij en voor de arbeiders uit die stad die er moesten worden opgevoed. In principe is elke opgave in het landelijk gebied een stedelijke. In principe kan ook elke stedelijke opgave als een groenopgave worden gezien. Groen kan in dat kader dan ook worden beschouwd als factor om de oplossingsruimte voor stedelijke, of beter 'grootmaatschappelijke' problemen te vergroten.
Daarmee komen niet meer vragen vraag centraal te staan, zoals hoe moet er hoeveel groen worden gerealiseerd rond de steden en dorpen? De vraag moet centraal staan wat dat groen kan betekenen voor stad en dorp: welke stedelijke problemen kunnen er worden opgelost, wat kan het groen toevoegen aan de kwaliteit van de stad?
De belangrijkste problemen waar men zich in de groene metropool zich op dit moment zorgen over maakt, zijn zorg, onderwijs, integratie en veiligheid. De zorg om het water is een stijger of in ieder geval een blijver. Een vooral kansrijk 'maatschappelijk probleem' voor het beleidsveld GIOS is tenslotte nog de constant grote behoefte aan groene, rurale woonmilieus onder stedelingen.
Het onderzoek heroriënteert zich strategisch op de relatie tussen de genoemde problemen en het GIOS-beleid. Het onderzoek richt zich niet meer alleen op de fysieke, maar ook op de sociale, culturele en emotionele aspecten en bij voorkeur per project op meer aspecten in hun onderlinge samenhang.


1. Ministerie van LNV, 1995: Visie Stadslandschappen. Den Haag.
2. - Dagevos, J.C., L. Luttik, M.M.M. Overbeek & A.E. Buijs, 2000: Tussen nu en straks, trends en hun effecten op de groene ruimte. Rapport 4.00.05. LEI. Den Haag.
- Timmermans, W., J. Jonkhof & G. Kolkman, 2002: Landelijk gebied: van productie naar consumptie. ROM 20-03. Pp12 - 16.J.F.
3. Blom, G., J. de Jonge & W. Timmermans, 2001: Stad-Land in onderzoek, eindrapportage
onderzoeksprogramma StadLand, 1997 - 2001. Alterra rapport 259. Alterra. Wageningen.
4. Woestenburg, M., 2002: De deltabenadering. Alterra. Wageningen.